U bent hier: >> Onze helpende handjes zijn goedbedoeld, maar vaak niet nodig in Afrika

Onze helpende handjes zijn goedbedoeld, maar vaak niet nodig in Afrika

Vandaag in het Nederlands Dagblad een bijdrage van onze directeur Klaas Harink. Daarin doet hij een klemmende oproep: “Het zelfbeeld van een Afrikaan wordt er niet beter op als een Nederlander die nog nooit een baksteen heeft vastgehouden, bij hem een school, huis of kerk komt bouwen. Hou daarmee op.”

Door mijn werk bij zendingsorganisatie Verre Naasten word ik regelmatig benaderd door mensen die ‘iets’ willen doen in het buitenland. Hun verlangen is herkenbaar, ik woonde zelf ook twaalf jaar in het buitenland. Maar alle goede bedoelingen en intenties ten spijt, zit het buitenland wel te wachten op deze goedbedoelde handjes? Ik heb daar grote vragen bij.

  • Wat domineert in het verlangen om te gaan; de wens om de buitenlandse partner te ondersteunen, vitaler en zelfredzamer te worden? Of het eigen verlangen om goed te doen, iets van de wereld te zien? Of avontuur?
  • Welke hulp heeft de meeste invloed? Is de buitenlandse partner het meest geholpen met de komst van iemand uit Nederland of heeft financiële ondersteuning meer betekenis? En in hoeverre heeft de partner daarin eigenlijk een keuze?
  • Missionair werk en ontwikkelingshulp in het buitenland vragen kennis en ervaring, evenals omgaan met interculturele communicatie. Daar zijn niet voor niets opleidingen voor. De buitenlandse partner heeft recht op vakmanschap. Het gezegde baat het niet, schaadt het niet, gaat niet op. Mijn ervaring is dat het vaak wel schaadt!
  • Buitenlandse organisaties spelen soms slim in op het verlangen van westerse jongeren om een tijdje in hun land te verblijven. Hoe kan het dat het aantal weeshuizen in Azië in stand blijft of zelfs groeit, terwijl daar geen aantoonbare aanleiding voor is? UNICEF waarschuwt zelfs voor al die vrijwilligers die een paar weken werkzaam zijn in een weeshuis en de negatieve gevolgen daarvan voor de kinderen, als het gaat over hechting en weer moeten loslaten.
  • Verdringing op de arbeidsmarkt is een ander gevaar. Een vrijwilliger, ondersteund door een thuisfrontcommissie, is natuurlijk goedkoop voor de buitenlandse partner. Voor datzelfde geld kunnen misschien wel vier lokale krachten werken.
  • Wat doet het met de eigenwaarde van de ‘ontvanger’ als er weer een kerkje, huisje of schooltje wordt gebouwd door een groep enthousiaste Nederlanders? Vaak door mensen die er niet over piekeren om zelf hun eigen kerk of huis te bouwen en soms zelfs nog nooit een baksteen vasthielden? Denken we dat de mensen in Oost-Europa of Afrika niet zelf kunnen bouwen? Misschien met wat financiële ondersteuning vanuit Nederland?
  • Wat doet het met onze beeldvorming in Nederland als er gecollecteerd wordt voor weer iemand die naar Oost-Europa of Afrika gaat om te helpen? Wordt het beeld niet versterkt dat wij beter en slimmer zijn, als zelfs een goedbedoelende kapper daar gaat metselen?

Het verlangen naar ‘handelingsperspectief’, iets willen doen en betekenen, begrijp ik. Een halfjaar als vrijwilliger naar Afrika gaan, spreekt mij ook meer aan dan een geldinzamelingsactie. Is marketingtechnisch bovendien veel aantrekkelijker. Maar het eigen belang (ik kan wat doen, ik heb een inspirerende tijd) en het belang van de buitenlandse partner (eigenwaarde, bevorderen van vitaliteit, het in staat zijn om zélf verantwoordelijkheid te nemen) mag wel wat meer in balans! Dat zorgt bovendien ook voor een reëler beeld van de situatie en mensen in zo’n land.

Aansluiten
Bij Verre Naasten werken we vanuit de overtuiging dat God mensen wil inzetten voor zijn Koninkrijk en de verspreiding van het evangelie. Met als uitgangspunt: aansluiten bij wat er elders is. God plaatst mensen op een plek die Hij kiest, met hun eigen talenten en verantwoordelijkheden; daar willen we bij aansluiten! De vraag is dan ook steeds: hoe kunnen wij hun recht doen en (indien nodig) ondersteunen, zodat zij hun talenten kunnen laten bloeien en inzetten om in hun directe omgeving, cultuur en taal mensen te confronteren met zijn liefde? En ja, soms gebeurt die ondersteuning in de vorm van personeel. Maar alleen wanneer daarvoor aantoonbare meerwaarde is.

Geholpen worden
Ik vind het hoog tijd voor verandering in ons denken: niet meer gaan om te helpen, maar om geholpen te worden! Stop met werkreizen, start inspiratiereizen; waarin het waardevolle persoonlijk contact en samen optrekken evenwichtig een kans krijgen. Ga niet vanuit je eigen ‘toegevoegde waarde’ iets brengen, maar ga met een vraag: ik wil graag van je leren en een tijdje met je optrekken, in ruil voor wat hand-en-spandiensten.

Hebben we enig idee wat zo’n leervraag doet met het zelfbewustzijn van de Afrikaan? En is zelfbewustzijn in combinatie met het zélf kunnen oppakken van verantwoordelijkheid niet een veel grotere sleutel tot ontwikkeling dan al die goedbedoelde helpende handjes?