Hoe de zelfspot van een dominee uit Malawi mij aan het denken zette

Malawi heeft een bevolking die zich in overgrote meerderheid christen noemt, maar niet de vruchten plukt van wat je dan mag verwachten. Integriteit, trouw in relaties, eerlijk zijn. Maar hoe zit dat bij westerse christenen? Klaas Harink, directeur van Verre Naasten, schreef er het onderstaande opiniestuk over.

‘Wat een geluk dat twintig procent van onze bevolking géén christen is’, zei de predikant uit Malawi die voorging in mijn kerkelijke gemeente. Iedereen schrok op. De gastpredikant glimlachte en zei: ‘We kunnen hen namelijk de schuld geven van alle misstanden, zoals de corruptie in ons land.’

Corruptie

In zijn uitspraak zat een gezonde dosis zelfspot. Hij probeerde aan te geven dat Malawi, een land met een bevolking die zich in overgrote meerderheid christen noemt, niet de vruchten plukt van wat je van christenen mag verwachten. Integriteit, trouw in relaties, eerlijk zijn…

Malawi is een arm Afrikaans land. Corruptie speelt er een grote rol, maar ook een ziekte als aids. ‘Hoe kan dat’, vroeg de predikant zich vertwijfeld af. In het westen hebben we op zo’n vraag ons antwoord snel paraat. ‘Ze’ zijn nog niet zo lang christen en moeten nog beter onderwezen worden. Vaak wordt ook gezegd: het geloof is daar wijdverspreid, maar mist nog diepgang. Het zit vaak niet dieper dan een centimeter. Nu kom ik als geboren Nederlander wél voort uit vele generaties christenen, en met mij vele anderen. Je zou dus mogen verwachten dat míjn geloof fors dieper zit dan die ene centimeter.

Jaloersmakend geloof

Met regelmaat spreek ik gelovigen met een jaloersmakend geloof. Mensen met een rotsvast Godsvertrouwen. In voorspoed én tegenspoed gaan zij door de knieën, vouwen zij hun handen en communiceren zij met hun God en Heiland. Maar dat zie ik ook bij christenen in Afrika. Ik hoor David uit Uganda het nog zeggen: ‘God is mijn Bevrijder. Nú al! En straks volledig.’ Terwijl David het niet gemakkelijk had. Armoede, zorgen, een vrouw met een gezwel in haar buik. Maar onvoldoende middelen om een operatie te bekostigen.

Christen-zijn betekent ook dat we in daden laten zien dat we door de liefde van Christus’ verlossing niet anders kunnen dan die liefde doorgeven. Nu zijn er veel mensen die hun naasten liefhebben. En laten we klip-en-klaar stellen: het zijn heel vaak mensen die géén christen zijn. Iemand zei eens: ‘De halfnaakte Gandhi liet meer liefde zien aan zijn naasten, dan menig ouderling.’ Maar laat ik het bij mijzelf houden. Deel ik voluit van wat ik van God heb ontvangen? Steun ik professionele goede doelen zonder eigen belang? Of hop ik, als een emotionele plofkip, van event naar event? Zoekend naar een kick, naar een goed gevoel?

Vertellen over mijn hoop?

Gesponsord fietsen of zwemmen voor een goed doel, zelf een particulier initiatief starten om Afrikanen te helpen… het kan zoveel opleveren! Zoveel dankbaarheid. Maar zet ik mij in -of geef ik- voor de dankbaarheid die ik retour ontvang? Zoek ik eigenlijk alleen maar de bewondering en de schijnwerpers? En hoe laat ik door mijn daden zien dat ik eerbied heb voor Gods schepping? Dat pak Fair Trade koffie lukt dan nog net, maar hoe zit het met mijn kleren, biologisch vlees of die tweede auto de deur uit? Vaker fietsen?

Hoe ben ik licht in deze wereld? Via allerlei clubs kunnen we als christenen vrijwilligerswerk doen. Applaus is ons deel! Maar durf ik naast die goede daden ook gewoon te vertéllen over mijn hoop in Christus? Durf ik mijn buren uit te nodigen voor een maaltijd en daarbij te bidden en uit de Bijbel te lezen? Of is een momentje stilte het hoogst haalbare?

Meetlat van mijn daden

De zelfspot van de predikant uit Malawi zette mij aan het denken. Hoe diep zit mijn geloof als ik het leg langs de meetlat van mijn daden? In het westen verslindt het individuele neoliberalisme haar duizenden. Ook ik ben daar niet immuun voor. Wat is het dan goed dat gelovigen elkaar wereldwijd versterken en aansporen.

(Dit artikel verscheen op 7 augustus 2019 in het Nederlands Dagblad)